DOS AND DON’TS PRAKTIJKEXAMEN

PLAATS OP DE WEG

Dit gaat vaak fout:

Te dicht langs geparkeerde auto’s, obstakels of fietsers rijden.
Niet of onvoldoende voorsorteren.
Te ruime of te krappe bochten (soms door nonchalant sturen).
Te veel links blijven rijden bij tegenliggers op smalle wegen.

Zo moet het wel:

Neem voldoende ruimte bij het passeren van stilstaande objecten en bewegende verkeersdeelnemers. Ook als dat betekent dat je daarvoor (deels) op de andere weghelft moet komen. Zolang je je tegenliggers maar niet hindert. Probeer niet koste wat kost binnen de lijnen te blijven als dat de veiligheid in gevaar brengt. Het is maar verf waar je overheen gaat.
Sorteer waar mogelijk duidelijk voor.
Probeer bochten netjes op je eigen weghelft te nemen.
Bij tegenliggers op smalle wegen is behalve je positie ook de snelheid erg belangrijk. Ga zo nodig bij het tegenkomen van ander verkeer wat langzamer rijden als het erg smal is.

 

SNELHEID

Dit gaat vaak fout:

Langzamer rijden dan nodig is, je houdt het verkeer ermee op en de examinator oordeelt dat je onzeker bent. Maar rij nooit harder dan vanwege de omstandigheden veilig en verantwoord is.
Te hard door bochten.
Te snel kruisingen naderen / oversteken.
Fabeltje: altijd 5 km/u harder rijden.

Zo moet het wel:

Rij vlot met het verkeer mee en pas je snelheid op tijd aan de omstandigheden aan. De veiligheid heeft eigenlijk altijd voorrang. Zo kan het voorkomen dat je bijvoorbeeld een inhaalmanoeuvre het veiligst uitvoert als je even iets harder dan toegestaan rijdt.
Kijk ook door de bocht en pas op tijd je snelheid aan.
Dit moet je met je instructeur bespreken, we kunnen wel zeggen dat je met de juiste snelheid moet naderen, maar dat is een kwestie van trainen.
Onzin, hou je liever aan bovenstaande.

 

INHALEN, OF EIGENLIJK HET ACHTERWEGEN LATEN DAAR VAN

Dit gaat vaak fout:
Met onvoldoende afstand inhalen (zie ook plaats op de weg).
Met onvoldoende snelheid inhalen.
Uit voorzichtigheid rechts blijven rijden terwijl het verkeer links veel vlotter rijdt (stel dat ik op de linkerstrook rij en de examinator wil opeens ergens rechtsaf).
Te laat voorbereiden.
Zo moet het wel:
Hou voldoende afstand bij het inhalen.
Een inhaalmanoeuvre moet vlot uitgevoerd worden. Durf dus snelheid te maken om dit na te leven. Ook als dat betekent dat je tijdelijk iets harder rijdt dan de limiet.
Durf keuzes te maken die de vlotheid ten goede komen. Rij je achter een vrachtwagen, gebruik dan de ruimtes (met name op wegen met meer rijstroken) om er voorbij te gaan. De examinator houdt rekening met zijn opdrachtgeving, echt!
Kijk ver vooruit en begin op tijd met waarnemen.

 

BIJZONDERE VERRICHTINGEN

Dit gaat vaak fout:

Te veel aandacht voor de auto en niet voor het verkeer.
Het ‘trucje’ lukt niet.
Te hoge snelheid.

Zo moet het wel:

Blijf altijd het verkeer in de gaten houden, niet alleen vooraf even kijken. Kijkgedrag is hier essentieel.
Veel oefeningen worden geleerd aan de hand van trucjes. Leer niet alleen op trucjes parkeren of keren, maar hou ook het geheel in de gaten. Dan kun je vaak ook gemakkelijker correcties aanbrengen, waardoor de oefening toch goed gaat.
Bij de meeste oefeningen is stapvoets al vlot genoeg.

 

TAAL VAN DE WEG

Dit gaat vaak fout:

Verkeerd voorsorteren bij meerdere rijstroken.
Per ongeluk rijstrook wisselen in bochten.
Verkeerd inschatten van bochten.

Zo moet het wel:

Kijk ook naar de rijstroken om je heen, vraag je af waar de auto naast je heen gaat / mag. Dat bepaalt voor jou vaak ook mede je koers. Let er bij het afslaan bijvoorbeeld op hoeveel rijstroken nog meer jouw kant op gaan. Bepaal daarmee ook je keuze van rijstrook.
Dit sluit aan bij het voorgaande. Bij meerder rijstroken moet je altijd proberen om vlak voor, tijdens en na de bocht in de zelfde rijstrook te rijden.
Ben je voor de bocht op de meest linker rijstrook gaan staan, dan is dat niet erg, maar volg de bocht dan ook op die rijstrook.
Niet alleen adviessnelheid borden geven aan hoe hard je in bochten kunt rijden. Let ook op andere zaken als bocht schilden, remsporen en kijk eens wat verder door de bocht heen, want daar ga je naar toe.

 

IN- EN UITVOEGEN

Dit gaat vaak fout:

Verkeerde snelheid.
Niet goed of onvoldoende kijkgedrag.
snelheid bochten na uitvoegen.

Zo moet het wel:

Je kunt niet met een getal aangeven hoe hard je moet rijden als je gaat invoegen. Immers je moet je snelheid eerst en vooral aanpassen aan de omstandigheden. Zorg dat je dus op tijd weet hoe de situatie is, rijdt het verkeer door of staat er file, is het druk of niet.
Invoegen lukt alleen goed als je doorlopend observeert. Dat begint al bij het naderen van de invoegstrook, dus zodra je zicht hebt op de doorgaande rijbaan. Dan al vorm je een beeld van het verkeer op die weg. Blijf waarnemen in je spiegels en bepaal waar ruimte is om in te voegen.
Zorg dat je goed de bocht doorkijkt en pas op maar geleidelijk je snelheid aan.

RIJSTROOK WISSELEN

Dit gaat vaak fout:

Niet goed of onvoldoende kijkgedrag. Klassiek is het voorbeeld waar 2 auto’s tegelijk naar de zelfde rijstrook willen. Alleen door goed blijven kijken kan dan een aanrijding worden voorkomen.
Onvoldoende ruimte benutten.
Onjuiste snelheid.
Onvoldoende communiceren met medeweggebruikers.

Zo moet het wel:

Bepaal rustig waar en wanneer je het beste kunt wisselen van rijstrook. Controleer ook vooral tijdens het wisselen van rijstrook wat het verkeer om je heen doet.
Probeer de ruimte op te zoeken en wacht niet te lang met je manoeuvre.
Alleen als je je snelheid goed aanpast aan het verkeer naast je kun je makkelijk invoegen.
Als het erg druk is, dan mag je met gebruik van je richtingaanwijzers laten zien wat je bedoelingen zijn. Wel altijd afwachten hoe het verkeer erop reageert, dus niet: “richting aan en gaan”.